Een toendra is een gebied zonder bomen aan de rand van het poolgebied. De begroeiing bestaat uit grassen, mossen en dwergstruiken.
Het woord toendra komt uit het Kildin Sami, dat is een taal die gesproken wordt op het schiereiland Kola. Het woord tūndra is de genitief van tundar, "boomloze steppe".
Het algemeen klimaat op een toendra is zeer ongunstig voor de groei van hogere planten. De bodem is gedurende minstens zes maanden bevroren of met sneeuw bedekt. Het groeiseizoen is zeer kort en de gemiddelde temperatuur van de warmste maand ligt beneden de 10°C. Tijdens de zomer ontdooit enkel de bovenste laag van de bodem, over een diepte van 30 tot 60cm boven de permafrost. Hoewel de hoeveelheid neerslag vrij gering is, zijn de meeste bodems op een toendra moerassig. Dit komt doordat het water niet kan wegzinken in de bevroren onderlaag en doordat de verdamping ook zeer laag is. Op vele plaatsen wordt dan ook veen aangetroffen. Typisch voor de toendra is ook de polygoonbodem, waarin stenen als gevolg van de werking van de vorst in veelhoeken gerangschikt zijn.
Toendra's komen onder andere voor in Rusland, IJsland, Canada, Alaska en de Kerguelen. In het zuiden wordt de toendra begrensd door de taiga. De toendra komt deels overeen met de klimaatzone waarin het toendraklimaat heerst.
Er bestaan twee soorten toendra; polaire toendra en alpine toendra. Daarnaast is er de overgangsvorm bostoendra, die als een gordel tussen de toendra en de taiga ligt.
