| Serie | Sub-serie | Super-etage | Etage | Tijd geleden (Ma) |
|---|---|---|---|---|
| Holoceen | 0 - 0,0115 | |||
| Pleistoceen | ||||
| Laat Pleistoceen | (onbenoemd) | Weichselien | 0,0115 - 0,116 | |
| Eemien | 0,116 - 0,128 | |||
| Midden Pleistoceen | (onbenoemd) | Saalien | 0,128 - 0,238 | |
| Oostermeer | 0,238 - 0,243 | |||
| (onbenoemd) | 0,243 - 0,324 | |||
| Belvédère | 0,324 - 0,338 | |||
| (onbenoemd) | 0,338 - 0,386 | |||
| Holsteinien | 0,386 - 0,418 | |||
| Elsterien | 0,418 - 0,465 | |||
| Cromerien | diverse etages | 0,465 - 0,85 | ||
| Vroeg Pleistoceen | Bavelien | diverse etages | 0,85 - 1,03 | |
| Menapien | diverse etages | |||
| Waalien | diverse etages | |||
| Eburonien | diverse etages | |||
| Tiglien | diverse etages | 1,80 - 2,40 | ||
| Pretiglien | diverse etages | 2,40 - 2,588 | ||
| Plioceen | 2,588 - 5,332 | |||
| Tabel 1 - Indeling van het Pleistoceen Uitleg gebruikte stratigrafische terminologie (kopregel) Blauwe vakken: Glaciaal of Stadiaal - Roze vakken: Interglaciaal of Interstadiaal |
||||
Het geologisch tijdvak Saalien (Vlaams: Saaliaan) Saale Glaciaal is een etage van de serie Pleistoceen, die duurde van 0,238 tot 0,128 Ma. Het Saalien is een glaciaal dat werd voorafgegaan door het Oostermeer Interglaciaal en gevolgd door het Eemien. Het is de laatste etage van het Midden Pleistoceen. Het Saalien was de laatste periode waarin het Scandinavische landijs tot in Midden-Nederland kwam.
Inhoud |
bewerk Naamgeving
Het Saalien is genoemd naar de rivier de Saale, een zijrivier van de Elbe die door Duitsland stroomt. De naam Saalien wordt alleen in Noord-Europa gebruikt, in het gebied dat binnen het bereik van de Scandinavische gletsjers ligt. In Midden-Europa, in het gebied binnen het bereik van de Alpiene gletsjers, noemt men dit glaciaal Riss Glaciaal. Elders gebruikt men nog andere lokale namen: bijvoorbeeld op de Britse Eilanden Wolstonian, Rusland Moskovian of Dnieper Glaciaal en in Noord-Amerika 'Illinois Glaciation' of Illinoian.
In Nederland is gedurende de vijftiger jaren van de twintigste eeuw enige tijd de term Drenthien in gebruik geweest.
De reden voor al deze verschillende benamingen voor 'dezelfde' glacialen is gelegen in het feit dat de perioden vernoemd zijn naar hun afzettingen. Meestal zijn dat afzettingen die gerelateerd zijn aan de dichtstbijzijnde ijskap, zoals keilemen, eindmorenen, lössen, fluvioglaciale afzettingen, etc. De Scandinavische en de Alpiene ijskappen zijn nooit samengevloeid. Er ligt een gebied tussen dat in zekere mate door beide beïnvloed is, maar waar geen directe afzettingen van de gletsjers, zoals keilemen, zijn afgezet. Het betekent dat een keileem van de Scandinavische ijskap nooit de keileem van de Alpiene ijskap uit dezelfde periode 'ontmoet'.
Uit de keilemen zelf blijkt hun ouderdom niet. Dus zekerheid of het om keilemen uit dezelfde periode gaat, is niet uit de keilemen zelf af te leiden. Omdat in beide gebieden apart moet worden bepaald hoe oud de keilemen uit de verschillende glacialen zijn, is het verstandig om de afzettingenreeks uit beide gebieden een eigen reeks namen te geven. Daarna kan onderzocht worden welke glacigene afzettingen uit beide gebieden gelijktijdig zijn afgezet (correleren). In het geval van de afzettingen uit het Saalien (Scandinavische ijskap) blijken die te correleren met die uit het Riss (Alpiene ijskap). Ook als men van mening is dat duidelijk is welke afzettingen uit de reeks van beide gebieden met elkaar correleren, is het verstandig om de eigen set namen te blijven hanteren. Toekomstig onderzoek kan nl. altijd uitwijzen dat een bepaalde correlatie niet klopt waardoor een glaciaal uit het ene gebied met een ander glaciaal uit het andere gebied blijkt overeen te komen dan tot dan toe gedacht. Dezelfde redenen vormen de grondslag om de glacialen uit Groot-Brittannië, Noord-Amerika, Rusland, enz., eigen namen te geven.
bewerk Sporen van gletsjers in Noord-Nederland
Tijdens het Saalien was het noordelijk deel van Nederland bedekt met gletsjers die hun oorsprong hadden in Scandinavië.
Vooral in Drenthe is veel materiaal terug te vinden dat is afgezet door deze gletsjers, met name de heuvelrug die Hondsrug wordt genoemd. De afzettingen bestaan vooral uit keimergel (meestal verweerd tot keileem), zwerfstenen en fluvioglaciale afzettingen, meestal in sandrs.
Resten van deze ijstijd zijn op de volgende plaatsen in Noord-Nederland terug te vinden:
- In de Gelderse Vallei. Voordat deze vallei ontstond, was dit het dal van de Maas. Tijdens het Saalien nam een grote ijstong vanuit het noorden bezit van dit dal. Hierbij stuwde het ijs zij- en voorwaarts sedimenten op, waarbij de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en de westflank van de Veluwe ontstonden. De Maas moest zijn loop veranderen naar het westen. Toen het ijs zich terugtrok, ontstond een diepe vallei, die na het Saalien verder dichtslibde. Op dezelfde manier werd de Rijn, die daarvoor via het IJsseldal naar het noorden stroomde, ook gedwongen westwaarts af te buigen. Dit verklaart de tegenwoordige ligging van de grote rivieren in Midden-Nederland.
Enkele stuwwallen daterend uit het Saalien zijn:
- Gaasterland in Zuidwest-Friesland met opgestuwde keileemruggen.
- De heuvels bij Onstwedde en Sellingen in Oost-Groningen.
- De Sallandse Heuvelrug in Overijssel, stuwwallen van Neede en Lochem.
- De stuwwallen op Texel en Wieringen.
- Het Rijk van Nijmegen
bewerk Koude laat glaciale zee
Als gevolg van het gewicht van de ijskap werd de aardkorst naar beneden geduwd. Bij het afsmelten van het ijs aan het eind van het glaciaal viel het gewicht weg en begon de aardkorst weer omhoog te komen. Door het afsmelten steeg ook de zeespiegel. De rijzende zeespiegel haalde op plaatsen die bij de rand van de ijskap gelegen waren en daardoor het diepst naar beneden geduwd waren, de omhoogkomende bodem in waardoor deze gebieden door de zee overstroomd werden. Dat gebeurde terwijl het klimaat nog niet echt warm was en ook het zeewater door de grote toevoer van smeltwater van de nabijgelegen gletsjers erg koud was.
Dergelijke koude zeeën, waarin ook het zoutgehalte laag was, kwamen na verschillende glacialen (Elsterien, Saalien, en Weichselien in het gebied van de huidige Oostzee en de Noordzee gedurende een relatief korte periode voor. Omdat de snelheid van de zeespiegelrijzing na verloop van tijd afnam maar de bodemrijzing nog doorging trok de zee zich plaatselijk ook weer terug. De periode daarna laat een afname zien van de bodemrijzing terwijl de stijging van de zeespiegel langzaam doorging. Op sommige plaatsen keerde de zee, maar nu met een 'warme' fauna weer terug. Op andere plaatsen die wel onder water bleven wordt de 'koude' fauna langzaam vervangen door een 'warme'. Weer andere plaatsen kenden alleen de koude fase en bleven daarna boven water. Welk van deze scenario's zich afspeelde was afhankelijk van waar de plaats zich ten opzichte van de ijskap bevond en hoe diep de bodem was neergeduwd. In deze koude zee leefde een arctische fauna die vooral door de molluskenfauna herkenbaar is. Naar de karakteristieke molluskenfauna werden deze kort bestaande koude zeeën Yoldiazee genoemd.
bewerk Zie ook
bewerk Bronnen, noten en/of referenties
|
|
| Tijdperken van de geologische tijdschaal |
|---|
|
Eons: Fanerozoïcum - Proterozoïcum - Archeïcum - Hadeïcum Era's (in Fanerozoïcum): Cenozoïcum - Mesozoïcum - Paleozoïcum Periodes (in Fanerozoïcum): Quartair - Neogeen - Paleogeen - Krijt - Jura - Trias - Perm - Carboon - Devoon - Siluur - Ordovicium - Cambrium Tijdvakken (in Cenozoïcum): Holoceen - Pleistoceen - Plioceen - Mioceen - Oligoceen - Eoceen - Paleoceen |
