| Eratheem | Systeem | Serie | Tijd geleden (Ma) |
|---|---|---|---|
| Cenozoïcum | Quartair | Holoceen | 0 - 0,0115 |
| Pleistoceen | 0,0115 - 2,588 | ||
| Neogeen | Plioceen | 2,588 - 5,332 | |
| Zie hier voor de onderverdeling van het Pleistoceen in etages. | |||
Het geologisch tijdvak Pleistoceen is als serie de onderste onderverdeling van het systeem Quartair. Het Pleistoceen duurde van 2,588 miljoen tot 11,56 duizend jaar geleden. Het volgt op het Neogeen, wordt opgevolgd door het Holoceen en is onderverdeeld ongeveer 40 etages.
Inhoud |
bewerk Kenmerken
Het Pleistoceen kenmerkt zich door:
- Afwisseling van perioden met een gematigd warm klimaat (interglacialen of tussenijstijden zoals de huidige tijd) en perioden met een overwegend veel kouder klimaat, de zgn. glacialen of ook wel 'ijstijden' genoemd. Tijdens glacialen worden landijskappen ook buiten de poolgebieden gevormd (vooral op het Noordelijk Halfrond).
- Door het vastleggen van enorme hoeveelheden water in de landijskappen daalt elk glaciaal de zeespiegel wereldwijd met vele tientallen meters, oplopend tot ca 200 meter tijdens de maximale ijsuitbreidingen. Door deze enorme daling worden de ondiepe randzeeën overal smaller en komen eilanden in verbinding met elkaar en het vasteland.
- Zeer grote veranderingen in flora en fauna (veroorzaakt door de relatief snelle afwisseling van warme en koude perioden) wat zich vooral uit in het uitsterven van veel plant- en diersoorten. Een ander effect is een snellere evolutie vooral bij bepaalde groepen zoogdieren, zoals bij de woelmuizen.
- De opkomst en ontwikkeling van het geslacht Homo, de mensachtigen.
bewerk Glacialen
Tijdens het Pleistoceen zijn er ongeveer 52 perioden, glacialen, geweest waarin de temperatuur aanzienlijk daalde. In veel van deze perioden was sprake van een grote uitbreiding van gletsjers in berggebieden en op hogere breedtegraad gelegen lagere gebieden. In ongeveer 7-10 glacialen (het precieze aantal is onbekend) daalde de temperatuur zo langdurig en zo sterk dat vooral op het Noordelijk halfrond accumulerend ijs zich buiten de poolgebieden op het land gedurende soms tienduizenden jaren in honderden meters tot kilometers dikke landijskappen vastlegde. Deze ijskappen breidden zich over grote delen van Noord-Amerika en Eurazië uit. De periode waarin het landijs zich handhaafde varieerde per glaciaal en bovendien fluctueerde de grootte van de ijskap binnen een glaciaal soms aanzienlijk. De maximale uitbreiding van het landijs was meestal vlak voor het eind van ieder glaciaal. De afloop van elk glaciaal wordt gekenmerkt door een zeer snelle stijging van de temperatuur waardoor het landijs snel afsmelt (en de zeespiegel navenant snel stijgt). Het punt halverwege het miniumum en het maximum van deze snelle temperatuursstijging beschouwt men als het eind van de glaciale periode en vormt het moment waarop deze overgaat in een interglaciaal. De afwisseling van glacialen en interglacialen wordt grotendeels veroorzaakt door veranderende astronomische parameters zoals de precessie, obliquiteit en excentriciteit, die tezamen de zogenaamde Milankovic-cycli vormen.
bewerk Onderverdeling
bewerk Grof
Het Pleistoceen wordt onderverdeeld in de sub-series Laat (Boven), Midden en Vroeg (Onder) Pleistoceen. Over het bereik van, en de grenzen tussen een deel van deze perioden bestaat internationaal nog geen overeenstemming. Geen onenigheid bestaat over de grens tussen Laat en Midden. Hiervoor wordt de grens tussen het Saalien en het Eemien aangehouden: het begin van het Eemien is het begin van het Laat Pleistoceen. Het Laat Pleistoceen bestaat daarmee uit het Eemien en het Weichselien. Over de grens Midden-Onder lijkt consensus aan het ontstaan zijn. Hiervoor lijkt de Brunhes/Matuyama grens, dwz het moment waarop het aardmagnetisch veld van 'omgekeerd' naar 'normaal' (zoals de richting tegenwoordig is) omslaat door de meeste Quartairstratigrafen aanvaard te worden. Deze grens ligt bij 0,78 miljoen jaar. Dat betekent dat het zgn 'Cromerien Complex' deels in het Onder en deels in het Midden Pleistoceen ligt! De ondergrens van het Onder of Vroeg Pleistoceen is een heikel punt. Deze grens komt overeen met de ondergrens van het Quartair waarover in het jaar 2007 nog geen definitieve uitspraak gedaan is. De meeste Quartairgeologen hanteren een ondergrens voor beide perioden bij 2,588 miljoen jaar. Een minderheid legt de grens echter op een jonger tijdstip, nl ongeveer 1,8 miljoen jaar. In Noordwest Europa wordt meestal de oudste grens aangehouden (zoals hier in de tabel tot uiting komt).
bewerk Fijn
Het Pleistoceen verschilt van alle oudere geologische perioden door een veel groter aantal mogelijkheden tot verfijning van de stratigrafische onderverdeling. Het meest gebruikt, en ook het meest voor de handliggend, is de afwisseling van koudere en warmere perioden, de glacialen en interglacialen. De belangrijkste glacialen en interglacialen hebben een naam gekregen. Verwarrend is dat er verschillende onderverdelingen in gebruik zijn die ieder bedoeld zijn voor 'regionaal' gebruik. In Europa heeft het Alpen gebied een indeling met andere namen dan in Noord-Europa gebruikelijk is. Engeland heeft een eigen indeling. Buiten Europa zijn weer andere indelingen. Er worden dus van plaats tot plaats andere namen voor dezelfde periode gebruikt. De opgaaf is om er achter te komen welke perioden uit de ene regio overeenkomen met perioden uit een andere regio (dit wordt correlatie genoemd).
Voor bepaalde perioden is een zekere overeenstemming en daarvoor worden dezelfde namen in meerdere regio's gebruikt. Sommige regionale namen worden wereldwijd gebruikt in de stratigrafische kolom. Men moet erop bedacht zijn dat de indeling van het Pleistoceen (zowel op regionaal als globaal niveau) zoals die nu gebruikt wordt, geen eindstadium is. Regelmatig worden 'nieuwe' perioden ontdekt die in een bestaande onderverdeling 'tussengevoegd' worden. Regionale indelingen zijn ook zeker niet een statisch fenomeen: zij zijn in constante ontwikkeling! Het kan betekenen (maar dat is dus niet noodzakelijk) dat een bepaalde ontwikkeling in een regionaal gebruikte indeling (bv de ontdekking van een nieuwe warme periode) invloed heeft op alle andere regionale indelingen. Dat kan tot gevolg hebben dat eerder als 'zeker' beschouwde correlaties opeens niet meer blijken te kloppen. Aan een indeling hangt daarom altijd een datum!
De 'Nederlandse' indeling wordt in vele landen gebruikt. In deze indeling zijn ook namen uit andere landen opgenomen (bv Weichselien, Saalien, Holsteinien, Elsterien, Cromerien). Veel van de gebruikte benamingen zijn echter in Nederland voor het eerst ontdekt of beschreven (oa Eemien, Bavelien, Eburonien, Waalien, Tiglien en Pretiglien).
Omdat de Nederlandse indeling in veel landen gebruikt wordt, hebben veranderingen in deze indeling vaak grote gevolgen. Een bekend voorbeeld is de ontdekking in 1984 dat veel afzettingen die men in Nederland in het Waalien plaatste tot een geheel ander interglaciaal bleken te behoren, nl het jongere Bavel Interglaciaal. Dit is in andere landen niet altijd opgemerkt en dat heeft tot grote verwarring geleid.
De in de tabel genoemde ouderdommen zijn slechts een indicatie: het zijn beslist niet de precieze ouderdommen! Van een aantal etages is de ouderdom ook bij benadering niet te geven (dit wordt ten onrechte wel vaak gedaan!). In dergelijke gevallen is in de tabel geen ouderdom opgegeven.
bewerk Fauna
bewerk Ongewervelde dieren
bewerk Mollusken
Bij mollusken of weekdieren verloopt evolutie traag. Er zijn binnen het Pleistoceen, althans in Europa, geen nieuw ontstane soorten aangetoond. Wel hebben veel soorten op de klimaat veranderingen door migratie gereageerd of zijn veel andere soorten die geen mogelijkheden tot migratie hadden uitgestorven. Onder de landslakken zijn strikte bosbewoners fors in het nadeel bij klimaatveranderingen waardoor bossen beïnvloed worden. Als bossen langzamerhand verdwijnen aan het eind van een interglaciaal raken bosbewonende landslakken eerder geïsoleerd dan landslakken die grasland bewonen. Bosbewoners verdwijnen als het bos waarin zij leven verdwijnt en zijn veel gevoeliger voor uitsterven dan landslakken met minder strikte eisen of bv grasland bewoners. Dat is ook wat er gebeurd is: onder de tijdens het Pleistoceen uitgestorven landslakken zijn vrijwel alleen bosbewoners te vinden. Een aantal soorten stierf al vroeg tijdens het Pleistoceen uit, alleen de minder strikte bosbewoners overleefden tenslotte de regelmatig terugkerende afkoeling en de daarmee gepaard gaande reductie van het bos areaal.
Bij de zoetwater mollusken vindt iets soortgelijks plaats. De meest veeleisende soorten leven in rivieren. Omdat een rivier zich tijdens een interglaciaal heel anders gedraagt dan tijdens een glaciaal heeft dat grote gevolgen voor de erin levende flora en fauna. Tijdens glacialen zijn sommige rivieren afwezig, van andere wordt de loop gewijzigd en van veel nog aanwezige rivieren zal het water gedurende zekere perioden voor korte of lange tijd bevroren zijn geweest. Dit zijn omstandigheden die veel strikte riviermollusken niet verdragen. Deze dieren zijn ook niet of nauwelijks in staat naar elders te migreren. Het gevolg is dat veel riviermollusken zijn uitgestorven. Anders dan bij bosbewoners stierven de strikte rivierbewoners de één na de ander bij verschillende interglaciaal/glaciaal overgangen uit. De laatste uitstervingen vinden plaats bij de afloop van het laatste Midden Pleistocene interglaciaal.
Voor mariene soorten is vooral het continentaal plat van belang waarop de ondiepe randzeeën liggen. Tijdens glacialen vallen grote delen daarvan door zeespiegel verlaging droog waardoor het leefgebied van zeer veel soorten sterk verkleind wordt. Omdat veel soorten een planktonisch larvaal stadium hebben, kunnen de meeste soorten migreren naar gunstiger, meestal Zuidelijker gelegen plaatsen. In bepaalde gevallen leent de geografie zich hier niet voor. De Noordzee is zo'n gebied. Gedurende een groot deel van het Pleistoceen bestond het Nauw van Calais niet en was Engeland dus geen eiland. Dat was ook het geval tijdens perioden van hoge zeespiegelstand. Bij afkoeling konden soorten die zich in de Zuidelijke bocht van de Noordzee bevonden daardoor niet Zuidwaarts migreren. Dit is waarschijnlijk de oorzaak dat enkele mariene soorten zijn uitgestorven. Het zijn er tijdens het Pleistoceen echter verhoudingsgewijs weinig geweest. Het grootste deel stierf nl. op de grens van het Plioceen en het Pleistoceen tijdens het eerste glaciaal van het Pretiglien al uit.
Tijdens het Pleistoceen uitgestorven Noordwest Europese bosslakken zijn oa: Cochlostoma salomoni, Gastrocopta serotina, Aegopinella bourdieri, Aegopis acieformis, Lyrodiscus elephantium, Zonitoides sepultus, Soosia sp., Helicigona sp. In Noordwest Europa uitgestorven riviersoorten zijn oa.: Viviparus clairi, Viviparus glacialis, Viviparus teschi, Viviparis diluvianus, Borysthenia goldfussiana, Valvata salebrosa, Parafossarulus crassitesta, Parafossarulus priscillae, Bithynia bavelenisis, Lithoglyphus jahni, Tanousia runtoniana, Tanousia stenostoma, Tournouerina belnensis, Fagotia wuesti, Ellobium pyramidale, Planorbarius peetersi, Pisidium clessini, Sphaerium rosmalensis, Sphaerium icenicum, Sphaerium subsolidum en Sphaerium subtile. Een aantal uitgestorven mariene mollusken: Yoldia lanceolata, Yoldia oblongoides, Acila cobboldiae, Lucinella juttingae, Cerastoderma hostiei, Acanthocardia sliggersi en Macoma praetenuis.
bewerk Insecten
Veel insecten fossiliseren slecht maar van bepaalde groepen zoals kevers worden de harde delen, zoals rugschilden in bepaald sediment (silt is daarvoor zeer geschikt) goed bewaard. Insecten kunnen grote afstanden vliegend afleggen en zijn daardoor ook in staat om zeer snel op klimaatveranderingen te reageren. Bepaalde zeer korte opwarmingsfasen tijdens het Weichselien zijn alleen maar met behulp van fossiele insecten aangetoond. Gebruikelijk is om klimaatveranderingen met fossiel stuifmeel, pollen te detecteren en meestal geeft de aanwezigheid van bomen aan dat sprake is van een warme periode. Bomen hebben echter veel tijd nodig om te migreren wat betekent dat tijdens korte opwarmingsfasen in een glaciaal (waarbij de temperatuur tot op het huidige niveau kan oplopen) de migratietijd te kort is waardoor grote gebieden volledig onbebosd blijven. Met behulp van insecten, vooral kevers, zijn deze kortstondige fasen wel aantoonbaar. Bij kevers zijn weinig tijdens het Pleistoceen aangetoonde uitgestorven soorten bekend, evenmin zijn er nieuw ontstane soorten aangetoond. Dat er weinig keversoorten zijn uitgestorven is vrijwel zeker te danken aan hun vermogen enorm snel te reageren en vliegend grote afstanden af te kunnen leggen. Er zijn uit Engeland tijdens kort durende Pleistocene perioden incidentele vondsten gedaan van keversoorten die tegenwoordig alleen in centraal Azië leven.
bewerk Enkele gewervelde dieren
|
bewerk Mensachtigen
Een aantal mensensoorten waarvan betrekkelijk veel bekend is (van oud naar jong):
- Homo habilis - Handige mens
- Homo erectus - Rechtopstaande mens
- Homo heidelbergensis - Heidelberg mens
- Homo neanderthalensis - Neanderthaler
- Homo sapiens - Cro-Magnon mens
De mensen uit de Steentijd hebben mammoeten en mastodonten gekend. Zij maakten uitgebreid jacht op deze dieren en beeldden hen af. Op grotwanden, o.a. in (Altamira en Lascaux) zijn schilderingen gevonden die mammoeten en mammoetjagers uitbeelden. Deze voorstellingen zijn van de Cro-Magnon mens die tot onze eigen soort behoort.
bewerk Zie ook
Voor iets meer uitleg over de gebruikte stratigrafische tabellen: zie hier.
bewerk Externe links
Global correlation table for the Quaternary
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|
| Tijdperken van de geologische tijdschaal |
|---|
|
Eons: Fanerozoïcum - Proterozoïcum - Archeïcum - Hadeïcum Era's (in Fanerozoïcum): Cenozoïcum - Mesozoïcum - Paleozoïcum Periodes (in Fanerozoïcum): Quartair - Neogeen - Paleogeen - Krijt - Jura - Trias - Perm - Carboon - Devoon - Siluur - Ordovicium - Cambrium Tijdvakken (in Cenozoïcum): Holoceen - Pleistoceen - Plioceen - Mioceen - Oligoceen - Eoceen - Paleoceen |
