| Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht. Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts |
| Botontkalking | ||
| Osteoporose | ||
| ICD-10 | M80-M82 | |
| ICD-9 | 733.0 | |
|
|
||
Osteoporose is het gevolg van afgenomen bot-massa en verstoring van de bot-matrix. Dit leidt tot een afname van de sterkte van de botten en een verhoogd risico op botbreuken, van met name de wervelkolom, heup, pols, bovenarm en bekken. Het risico op breuken neemt toe met de leeftijd; het betreft met name personen die ouder dan 75 jaar zijn. Een op de twee vrouwen en een op de vijf mannen van 50 jaar of ouder zal tenminste een botbreuk ten gevolge van osteoporose oplopen. De kosten voor de gezondheidszorg zijn enorm: voor heel Europa zo’n 30 miljard euro.
Inhoud |
bewerk Oorzaken
Tussen het twintigste en dertigste levensjaar bereiken de botten hun maximale massa (piek-bot-massa). Voor een goede bot-opbouw zijn hoogwaardige voeding (niet teveel eiwit en suiker) met voldoende vitamine D en calcium, lichaamsbeweging/sport en bij voorkeur ten minste een kwartier per dag blootstelling aan zonlicht van belang. In het vierde of vijfde decade begint de bot-massa af te nemen. Dit is het gevolg van toegenomen afbraak van bot door osteoclasten en verminderde botvorming door osteoblasten. Leeftijdsgebonden veranderingen van de botten zijn de belangrijkste oorzaak van osteoporose. De afgenomen hoeveelheid oestrogenen na de menopauze verhoogt het risico op botverlies bij vrouwen. Botverlies bij mannen treedt vooral op vanaf het zeventigste levensjaar, en komt vaker voor bij mannen met tekorten in de productie van testosteron en oestrogeen. Een tekort aan vitamine D en hyperparathyreoïdie komen relatief veel voor bij ouderen en kunnen bijdragen aan de ziekte. Andere zaken die kunnen bijdragen zijn verminderde lichaamsbeweging, roken, meer dan 3 glazen alcoholhoudende drank per dag, langdurig gebruik van orale (via de mond ingenomen) glucocorticoïden (bijvoorbeeld prednison) en een afgenomen productie van IGF-1 (insuline-like growth factor).
bewerk Wie lopen risico?
Kleinere piek-bot-massa, versterkt botverlies vanaf de menopauze en een hogere gemiddelde leeftijd, leiden ertoe dat vrouwen een verhoogd risico op osteoporose hebben. Glucocorticoïden worden door hen die 75 jaar of ouder zijn 2,5 maal zoveel gebruikt als gemiddeld, en zijn een bekende oorzaak van osteoporose. Er bestaan (internationale) richtlijnen voor de preventie en behandeling van osteoporose die door orale glucocorticoïden wordt veroorzaakt.
| Risicofactoren voor osteoporose. |
|---|
| Onafhankelijk van de botdichtheid |
| Leeftijd |
| Niet-traumatische botbreuk |
| Moeder met gebroken heup |
| Behandeling met orale glucocorticoïden |
| Roken |
| Alcohol, meer dan 3 eenheden per dag |
| Reumatoïde artritis |
| BMI ≤ 19 |
| Vallen |
| Afhankelijk van de botdichtheid |
| Onbehandeld hypogonadisme |
| Malabsorptie |
| Ziekte van het endocrien systeem |
| Chronische nierziekte |
| Chronische leverziekten |
| COPD |
| Immobiliteit |
| Geneesmiddelen (aromataseremmers, androgeen deprivatie therapie) |
bewerk Diagnose
De WHO definieert osteoporose op basis van mineraaldichtheid (bone mineral density, BMD) van het bot van de wervelkolom en bovenste deel van het dijbeen. Deze wordt gemeten met röntgenabsorptie (Dual Energy X-ray Absorptiometry of DEXA meting). Als een BMD wordt gemeten die 2.5 standaardafwijkingen lager is dan een normale piek-bot-massa, classificeert men dit als osteoporose. Ultrageluid en een perifere DEXA kunnen gebruikt worden om in te schatten of er wellicht sprake is van de aandoening, en om te beoordelen of een volledige DEXA aangewezen is.
| Onderzoek om secundaire oorzaak osteoporose uit te sluiten |
|---|
| Bepaling van het aantal witte bloedcellen (leukocyten), rode bloedcellen erythrocyten) en bloedplaatjes (thrombocyten) |
| Lever –en nierfunctie tests |
| Botfunctie tests (calcium, fosfaat en alkaline fosfatase) |
| Serum immunoglobulines en paraproteïne, Bence Jones eiwit in de urine |
| Schildklierfunctie tests |
bewerk Behandeling
bewerk Niet-medicamenteus
Vallen draagt in belangrijke mee aan het veroorzaken van breuken, met name bij verzwakte, oudere personen. Verschillende maatregelen kunnen het vallen verminderen. Bijvoorbeeld door vermindering van het gebruik van slaapmiddellen en kalmeringsmiddellen (benzodiazepines). Zorg voor voldoende vitamine D en calcium in de voeding, eventueel als supplement. Sporten c.q. het doen van oefeningen dient men aan te moedigen en roken en alcohol misbruik dient men af te raden. Fysiotherapie en verlichting van pijn zijn aanvullende behandelvormen. Hulpmiddelen zijn er in de vorm van een rolator of heupbeschermers. Men kan de woonomgeving analyseren, om ervoor te zorgen dat het risico in huis te struikelen minimaal is.
bewerk Medicamenteus
Verschillende (soorten) geneesmiddellen kunnen worden gebruikt. Bisfosfonaten, raloxifeen en hormoonsuppletie gaan de botafbraak tegen. Strontiumranelaat (remt botafbraak en stimuleert botvorming) en bijschildklier hormoon (anabool).
| Geneesmiddelen bij osteoporose | ||
|---|---|---|
| Middel | Dosering | Toedieningsweg |
| alendroninezuur (Fosamax) | 70 mg eenmaal per week of 5-10 mg per dag | oraal (via de mond) |
| etidroninezuur/calciumcarbonaat (Didrokit) | 400 mg per dag gedurende 2 weken, dit elke 3 maanden herhalen | oraal |
| ibandroninezuur (Bondronat, Bonviva) | 150 mg eenmaal per maand tablet, 3 mg eenmaal per 3 maanden injectie | oraal of injectie |
| risedroninezuur (Actonel) | 35 mg eenmaal per week of 5 mg per dag | oraal |
| raloxifeen (Evista) | 60 mg per dag | oraal |
| strontiumranelaat (Protelos) | 2 g per dag | oraal |
| teriparatide (Forsteo) | 20 mg per dag | onderhuidse injectie |
| parathyroid hormoon (Preotact) | 100 microg eenmaal per dag | onderhuidse injectie |
Bovenstaande middelen (behalve etidroninezuur en parathyroid hormoon) worden als de meest effectieve voor de behandeling van osteoporose beschouwd. Sommige auteurs beschouwen alendroninezuur en risedroninezuur, mede op basis van hun effectiviteit, als middelen van eerste keuze.
bewerk Literatuur
- Minne HW, Pfeifer M, Begerow B, Pollähne W. Osteoporose. Orthopade. 2002;31:681-97.
- Kurth AA, Pfeilschifter J. Diagnostik und Therapie der postmenopausalen Osteoporose und der Osteoporose des Mannes. Orthopade. 2007;36:683-90.
